Voor dit blog heb ik met laten inspireren door de tentoonstelling ‘eten in oorlogstijd’, in het verzetsmuseum in Amsterdam. In 1940 viel de import weg en moest Nederland zelfvoorzienend worden. Het voedselpatroon veranderde in minder vet en vlees en meer groenten, granen, aardappelen en peulvruchten. Het gemiddelde menu werd gezonder dan het voor 1940 was (4). En dat is nu terug te zien in de huidige voedingstrends. Alleen is het nu een keuze en was het toen een bittere noodzaak om te overlevenToch stond Voorhout bekend als “voedselberg”. In vele schuurtjes waren illegaal varkens verstopt en de zwarte handel floreerde. Ik spreek voor dit blog met de Voorhouters uit deze tijden. 

Voor het blog met:

Nely Lemmers: 4 tot 9 jaar in de tijd van de oorlog. Woonachtig aan de Boekhorstlaan. De ouders van Nely hadden daar een bollenkwekerij.

Frans Beugelsdijk: 8 tot 13 jaar in de tijd van de oorlog. Moesten hun huis in Noordwijk uit en woonde gedurende de oorlog op de Kniplaan (Dinsdagse Wetering).

Siem van der Hulst: 4 tot 9 jaar in de tijd van de oorlog. Woonde met het gezin op de Jacoba van Beijerenweg en hadden een kwekerij.

Noodzaak van toen, in 6 de trends van nu

Voordat de oorlog begon, voorzag Nederland al een voedseltekort. Twee ministers (Hirschfeld en Louwens) moesten er voor gaan zorgen dat Nederland zelf voorziend zou worden in voedsel. Het advies was om minder vlees te eten en meer groenten en peulvruchten. Boeren konden van veeteelt omvormen naar akkerbouw in ruil voor extra distributiebonnen. De overheid kocht al de granen, vlees en groenten op voor een goede prijs. Om te zorgen voor een eerlijke verdeling, kreeg de bevolking distributiebonnen. Hoeveel bonnen je kreeg was afhankelijk van de samenstelling en de leeftijden binnen een gezin. Men had geld èn bonnen nodig om het voedsel te krijgen (4).

Wat toen noodzaak was is nu de trend: minder vlees en vet, meer groenten. De bevolking werd aangespoord tot het zelf kweken van groenten. Nu noemen we dat Urban farming. Het voedingscentrum vertelde hoe je kon eten uit de natuur. Dat noemen we nu wild food. Andere trends zijn Cradle to cradle koken, waar afval voedsel is. Raw food, waarbij je groenten niet of nauwelijks kookt. In die tijd kon je bij de boer een koe lenen. Die zette je in de wintermaanden in de schuur zodat er melk was. In de zomer ging de koe weer terug naar de boer, het weiland op. Een soort lease koe. Mevrouw Lemmers schiet in de lach, want het klinkt in deze huidige tijd wel heel gek. De koe-lease-constructie, heb ik nog niet gesignaleerd als trend. Maar het lijkt me een goed idee. Wie kan er melken?

1 Van groentetuin tot Urban Farming

Urban framing of city farming staat voor het houden van kleinvee, groenten, fruit en kruidentuintjes in de stad. Het is vooral bedoeld om stadskinderen, die ver weg staan van het platteland, te laten zien waar onze voeding vandaan komt. Dat dit een trend is wordt wel duidelijk tijdens de moestuin actie waar Albert Heijn in 2015 mee startte.

In de steden werd het kweken van groenten in de oorlogsjaren ook gestimuleerd. Er ontstonden groentetuintjes in de stadsplantsoenen. De meeste kwekers en boeren in Voorhout hadden een eigen groentetuin. Hun voeding veranderde hierdoor,  zeker aan het begin van de oorlog, eigenlijk niet.

De overheid regelde in de oorlogstijd de hele voedselvoorziening. De bevolking was het niet altijd eens met de bemoeienis van de overheid en er ontstond een diepgeworteld wantrouwen tegen de overheid. De voedselvoorziening eiste dat de bollenkwekers tussen de paden groenten gingen kweken. De groenten was niet winstgevend (1). Meneer van der Hulst herinnert zich nog de worteltjes tussen de bedden bloemen. Het lijkt me dat er in die tijd een stuk minder gif werd gebruikt voor de bloemen. Want de huidige middelen wil je niet als residu in je wortels terug vinden.

 

De Voorhoutse voedselberg in oorlogstijd
Het huis van Lemmers en van Leeuwen op de Boekhorstlaan ter hoogte van de Pieter de Hoogstraat

 

2 Minder vlees, meer groenten en peulvruchten

De  overheid adviseerde mensen om het vlees te vervangen door peulvruchten. De boodschap van toen was hoe je moest eten om geen tekorten te krijgen. Tegenwoordig adviseert het voedingscentrum ons weer om meer peulvruchten te eten. Nu om overconsumptie te voorkomen. De huidige schijf van vijf zegt: ‘Meer plantaardig en minder vlees is goud voor jou en het milieu’.

Vlees was er bij mevrouw Lemmers ook voor de oorlog vaak alleen op zondag. Op de groentetuinen in de Bollenstreek werden bonen geteeld. Deze werden gedroogd, zodat men hier ook in de wintermaanden vanaf kon pakken. Minder vlees eten en meer peulvruchten was dus eigenlijk niets nieuws in de Bollenstreek. Het rantsoen brood dat mensen per persoon per week ontvingen was voor de oorlog 2813g. Gedurende oorlog was dit 1870. Januari 1945 was dit nog maar 1000 en uiteindelijk 500g (3). Toen er geen brood er niet meer was, aten ze bij mevrouw Lemmers tussen de middag bruine bonensoep. In de stad waren aan het einde van de oorlog geen bonen meer verkrijgbaar.

Voor degene zonder groentetuin, was er niet veel variatie in het aanbod groenten, vertelt meneer van der Maat. De groenteman koos niet wat hij inkocht, maar kreeg in een keer gewoon een hele vracht rodekool geleverd. Het hele dorp at die week dus rodekool.

 

De Voorhoutse voedselberg in oorlogstijd
De groentewinkel van der Maat

 

De Voorhoutse Voedselberg

Aan het begin van de oorlog hadden de mensen uit de Bollenstreek het niet slecht. In Voorhout ontstaat een levendige handel in voedsel. ‘Aanvullend bikkesement’ werd dat genoemd. Dit was bekend in de omstreken. Als het om voedsel ritselen gaat, laat de Voorhouters dan maar schuiven”, werd er vaak gezegd (2). In vele achtertuinen staan rennen met kippen en in de schuren waren varkens en koeien verstopt. In deze periode had de familie Lemmers een koe. Die huurde ze van Piet van der Hulst uit de Boekenburglaan. De buurman, Chris van Leeuwen, kon melken. De ene dag kregen ze in de ochtend melk en de andere dag in de avond. Zo deelden ze met de familie van Leeuwen. Slagers slachtten achter de rug van de Duitsers veel meer dan de officiële hoeveelheden die waren toegestaan (2). De familie Lemmers en van der Hulst had een illegaal varken in de schuur staan. Ook bij de groentewinkel van der Maat werd niet alleen in groenten gehandeld.

‘Ja’, knikt Meneer van der Hulst, nu komt het allemaal weer terug. Met 8 jongens thuis werd hij vaak de deur uitgestuurd naar van Leeuwen om te kijken of hij daar nog wat kon werken. Opeens herinnert hij daar de buurmeisjes Lemmers. ‘Dus jij bent een echte Voorhouter’, knikt hij ineens goedkeurend. Hij herinnert zich weer dat hij zijn vader vaak genoeg handje zag klappen. Maar hij was te klein om precies te begrijpen waar dat over ging. Vermoedelijk verzamelde de boeren die het goed hadden, zich bij station Voorhout. Hier stapte de handelaren uit de stad uit. De handel die ontstond, buiten de distributiebonnen om, was niet toegestaan. De handel werd dan ook niet op het station zelf gedreven. Er werd de mensen wel kenbaar gemaakt bij welke boer ze voor wat terecht konden. De handelaren verkochten hun verkregen waren weer voor veel geld op de zwarte markt in de stad. Aardappelen werden voor 600 tot 800 gulden per mud verkocht. Vlees voor 60 tot 80 gulden per kg. Eieren voor 7,50 gulden per stuk. Helaas voor de handelaren die in die tijd veel geld hadden verdiend, was hun zwarte verdiende geld na de oorlog niets meer waard.

Had je geen geld, dan kon je allerlei andere waren ruilen voor eten. Mevrouw Lemmers vertelt dat haar moeder al voor de oorlog was gestart met het hamsteren van zeep. De zeep werd bij boerderij Oostdam (die aan de Nagelbrug stond) geruild voor kaas. Dagelijks fietst zij of haar zusje met een fles melk naar Noordwijk om te ruilen tegen roggebloem voor brood. De illegale varkens bij van der Maat achter zorgden ook voor genoeg materiaal om te ruilen voor wat meer variatie in groenten in de winkel.

3 Cradle to cradle

Cradle tot cradle is een manier van duurzaam produceren waarin producten die al eens zijn gebruikt, worden hergebruikt. Met een ander woord de circulaire economie. Zo dient het oud brood in onze bakkerij als voer voor de biologische varkens. In de oorlog was het principe iets omgedraaid. Mensen gingen van honger veevoer eten. Bijvoorbeeld suikerbieten en mais. Van aardappelschillen werd soep gekookt.

De Voorhoutse voedselberg in oorlogstijd
Stuk tekst uit het verzetsmuseum

In 1943 wordt de situatie in ons land namelijk iets grimmiger. De opbrengst van bloembollen neemt af en de export ligt op zijn gat. Zaad en mest voor groenteteelt stijgen in prijs waardoor het minder rendabel wordt. In November 1944 verschijnt er een artikel in het Leidsch Dagblad. Bij een kweker in Oegstgeest zijn tulpenbollen voor consumptie te koop. Wetenschappelijk onderzoek had aangetoond dat bloembollen meer voedingsstoffen bezaten dan aardappelen (1). Alleen tulpenbollen, want narcissen en hyacinten zijn giftig. De Voedingsraad (tegenwoordig het Voedingscentrum) kwam met recepten. De oom van mevrouw Lemmers, die bollenexporteur was, ging zijn bollen als voedsel verkopen. f1,- per kilo en op de zwarte markt f2,50 of meer (1). Mevrouw Lemmers, meneer Beugesldijk en meneer van der Hulst hebben ze ook gegeten. Maar de smaak viel tegen. Aangezien ze voedsel genoeg hadden, werd dit niet meer gegeten. Sommige kregen er last van hun buik van. De groenteboer kreeg er pukkels van. Dus de vraag was of het echt wel zo gezond was.

4 Wild food

Wild food is de term die tegenwoordig gebruikt wordt voor eten uit de natuur. Welke planten uit de natuur zijn gezond en kun je eten. Er bestaan tegenwoordig wild food cafés en je kunt workshops volgen. De overheid stimuleerde in de oorlogstijd de mensen om ‘wild te plukken’.

Meneer Beugelsdijk zelf had het niet slecht in de oorlogstijd. Het gezin Beugelsdijk  waren evacuees uit Noordwijk. Evacuees uit de kustplaatsen moesten verplicht in huis worden genomen. Dit had te maken met de aanleg van de Atlantikwall. In totaal werden er 250 personen ondergebracht in andere huizen. Omdat deze gezinnen ook moesten eten, vond er in die tijd veel diefstal van voedsel in de streek plaats (2,5). Toen meneer Beugelsdijk als evacuee noodgedwongen vlak aan de Kniplaan (nu de Dinsdagsewetering) in Voorhout kwam te wonen, was hij vaak te vinden bij de melkfabriek. De fabriek stond aan het begin van de Herenstraat, tegenover het huidige tankstation. Voordat hij naar school ging haalde hij de pony uit de wei, welke voor de wagen werd gespannen, zodat meneer Warmerdam (Piet de Pap), melk bij de boeren kon gaan halen. Van Jo Warmerdam-Langeveld kreeg hij een boterham voordat hij naar school ging. Zijn broers en zussen hadden dit geluk echter niet. Tijdens het melk ophalen bij de boer vond meneer Beugelsdijk nog wel eens eieren, die hij stiekem mee naar huis nam om aan zijn broers en zussen te geven.

Aan het einde van de oorlog, had hij een altijd een lepel in zijn zak. Als hij dan het melk ophaalde bij de boeren dan schepte hij voor het inladen van de bussen een lepeltje room van de melk af. Ook verzamelde hij bij de bomen tussen de Dinsdagse wetering en de Leidsevaart, tamme kastanjes. Hij jatte hij het fruit uit de bomen bij Damen naast het parochiehuis. Bramen waren vooral te vinden bij Katwijk.

Melkfabriek

5 Van eten inmaken tot voorraden inkuilen

Het aantal websites over het wecken, drogen en conserveren van eten groeit enorm. Ook in tijdschriften zijn vele tips te vinden. Toen er nog geen koelkasten waren, werd eten op allerlei manieren geconserveerd om zo ook in de wintermaanden te kunnen eten. Een voorbeeld hiervan is het inkuilen van eten. Voorraden winterwortels, witlof, aardappels werden in kuilen onder de grond gestopt om het goed te houden. Bij meneer van der Hulst werden op die manier aardappels op het land bewaard. Een ‘pet aardappels’, waren aardappels met hooi en zand er overheen om het goed te houden.

De hongerziekte

In de laatste winter voor de bevrijding, wat de boeken in is gegaan als de ‘Oorlogswinter’, was de situatie onhoudbaar.  September 1944, het offensief bij Arnhem was mislukt en voor de bewoners van Westelijk Nederland werd het duidelijk dat zij een nieuwe, zware en moeilijke Oorlogswinter in zouden gaan. Omdat etenswaren, brandstof en elektriciteit schaars waren, sloten bedrijven, winkels en cafés de deuren. Er was geen werk en geen inkomen. In november werd het levensmiddelenrantsoen dat per bewoner op de bon beschikbaar was verder beperkt. Voorname caloriedragers zoals brood en aardappelen werden minder toegewezen, waardoor brede lagen van de bevolking ondervoed begon te raken (3).

Uit het boek honger in Rotterdam (3): Zoo werd het Dinsdag 5 september, later bekend geworden als de ‘dolle Dinsdag’. Vanaf dat oogenblik zijn de Duitschers er toe overgegaan om stelselmatig alle hier aanwezige wintervoorraden weg te voeren. De terreur op de bevolking werd met groote felheid toegepast.

De aardappels lagen bij de familie Lemmers, vanwege diefstal niet meer in de schuur opgeslagen, maar in huis. De petten aardappels op het land tegenover van der Hulst werden bewaakt door een draad dat over de weg was gespannen met een grote bel er aan. Meneer Beugelsdijk, die op het land achter de Rijnsburgerweg aan het spelen was, stapte per toeval met een voet in een pet etenswaren. Dit was een groot geluk. Het was misschien stelen, maar hij kon er wel zijn broertje mee voeden. De laatste winter was de honger bij de familie Beugelsdijk zo erg dat een aantal broers en zusters hun bed niet meer uit kwamen. Meneer Beugelsdijk, die zichzelf in ons gesprek neerzet als sterk en trots jongetje, kijkt nu bedenkelijk. ‘Ze waren zo mager’ zegt hij. Hier dook de hongerziekte (oedeem) op. Sterke vermagering en de algemene lichamelijke weerstand ging achteruit. In Warmond vallen slachtoffers door de honger (2).

Uit het boek honger in Rotterdam (3): Voor een leek waren de uiterlijke verschijnselen van hongeroedeem vrij duidelijk merkbaar. Soms traden plotseling, vaak in één nacht, de verschijnselen op. De huidskleur werd valer, de oogopslag en de gelaatstrekken veranderden. Onder de oogleden traden zwellingen op, de handen en vooral de voeten werden dikker en bij een uitgesproken honger oedeemgeval was het gezicht gezwollen lage dikke kussens op de handen, terwijl de onderbeenen geheel opgezet waren. Werd de oedeem nog erger dan traden zelfs zwellingen van de bovenbeenen en den buik op, gepaard gaande met hardnekkige diarrhee, welke veroorzaakt werd door zwelling van den darmwand.

6 Raw food en brandstof jacht

De huidige trend is om groenten niet te lang te koken. Voedingsstoffen blijven zo beter behouden en energie wordt bespaard. Raw food, noemen we dit tegenwoordig. Hetzelfde advies gaf het Voorlichtingsbureau ook aan de huisvrouw in de oorlogsjaren.

Uit het boek honger in Rotterdam (3): Het jaar 1945 zette droevig in. De algemene toestand was zeer ernstig geworden. De felle koude maakte het leven nog moeilijker. De bevolking had bij den aanvang van den winter slechts 2 mud cokes per gezin gekregen en deze bescheiden hoeveelheid was bij de meesten reeds lang uitgeput.

In het begin van de oorlog deed Het Voorlichtingsbureau voor de Voeding haar best om huisvrouwen te leren hoe zij zich konden aanpassen. Het advies aan de huisvrouw was om de groenten niet te lang te laten koken en de aardappelen in de schil te koken zodat er minder voedingsstoffen verloren zouden gaan. De hooikist verscheen in allerlei kookboeken om op die manier brandstof te besparen. Groentes werden rauw gegeten.

De Voorhoutse voedselberg in oorlogstijd
Eten halen bij de gaarkeuken in het parochiehuis. Foto van HKV Voorhout

Toen er uiteindelijk ook geen brandstof meer was om de huizen en de scholen te verwarmen, kon men een boom kopen in het Lissersbos. Met karren, zagen en bijlen trokken de Voorouders naar Lisse om een boom te kappen. Meneer Beugelsdijk herinnert zich dat aan het einde ook alle bomen aan de Leidsevaart het moesten ontgelden. De stronken die overbleven werden door kinderen nog verder uitgehakt. Uiteindelijk werden ook de wortels van de bomen uitgegraven voor een emmertje kostbare brandstof. Maar velen konden de brandstofjacht niet volhouden. Scholen hadden geen verwarming, dus blijven ze dicht. De kachel bleef uit en tijdens de felle koude in januari hield men de kinderen maar in bed (3).

Omdat er zonder brandstof niet meer gekookt kon worden, ontstonden er gaarkeukens. Bij het Soldaatje, in het parochiehuis en bij de BNS. Ruim 2000 Voorhoutse gezinnen worden hiermee gevoed (2). Mevrouw Lemmers herinnert zich lange rijen met mensen die met hun pan of emmer stonden te wachten. Soep van waarschijnlijk aardappelschillen. Alle geïnterviewde gruwelen bij de gedachte hier aan. De familie Lemmers had dit voor zichzelf niet nodig. Toch namen ze de soep wel mee voor de mensen uit de hongertochten. Het gezin Angevaare, op de foto, had als kapper weinig handel te ruilen. Soms aardappels tegen een scheerbeurt. Veel kwam er niet binnen, dus waren aangewezen op het eten uit de gaarkeuken (5).

Hongertochten

In het oosten was nog wel genoeg eten. Maar de Duitsers blokkeerde het voedseltransport, waardoor er in het westen steeds grotere tekorten ontstonden. Langs de Boekhorstlaan was het altijd rustig geweest. Als er iemand kwam, dan keek mevrouw Lemmers nieuwsgierig uit het raam. In de laatste winter was dat anders. Rijen met mensen uit de steden Amsterdam en Rotterdam kwamen naar het sprookjesachtige boerenland, waar nog voedsel was. Ze liepen met alle mogelijke en onmogelijke vervoersmiddelen gevuld met allerlei handel om te ruil aan te bieden voor aardappelen en peulvruchten. Meneer Beugelsdijk zag een echtpaar met een kar over de Herenstraat terugkeren. In plaats van etenswaren lag daar hun van de honger gestorven kindje in.

Uit het boek tot groei en bloei gekomen (1): laat ik nog vermelden dat er veel gebrek was in den omliggende steden, zoo dat er dagelijks honderden menschen bij ons bollenkwekers om mondvoorraad bonen en aardappelen en groenten kwamen.

Bij de familie Lemmers en van der Hulst werd veelvuldig aangeklopt voor eten. De moeder van mevrouw Lemmers probeerde de aardappels zo gelijk mogelijk over de mensen die aanklopten te verdelen. Vader Lemmers vond het op een gevenmoment genoeg geweest, omdat ook zijn gezin moest kunnen blijven voeden. Hij zou voortaan zelf de deur wel open doen. Maar bij het aanzien van de uitgehongerde mensen, gaf hij de hele zak aardappels in een keer weg. Voortaan zou moeder wel weer zelf doen, want met die zak had ze nog wel 10 andere kunnen helpen.

Voedsel droppings

Op 29 april 1945 werden door Engelse bommenwerpers de eerste voedsel droppings uitgevoerd. Op het terrein bij vliegveld Valkenburg werden kisten, pakken en bussen uitgeworpen. Vanuit Voorhout was dit goed te zien. Aanvankelijk was men vrij wantrouwend. Zou nu de oorlog dan echt ten einde komen? Tijdens de Dolle dinsdag hadden diverse mensen hun vreugde met de dood bekocht, dus men was erg voorzichtig. Mevrouw Lemmers vertelt dat bij de boerderij op de hoek van de Schoonoord en de Boekenburglaan voorzichtig de vlag werd gehesen. De hele week tot en met 5 mei zijn de vliegtuigen teruggekomen. Bloem boter, vlees, wordt, kaas, chocolade, biscuit en vele andere artikelen werden afgeworpen. Met het meel uit Zweden dat met schepen werd aangevoerd konden de bakkers weer brood bakken (3).

Uit het boek honger in Rotterdam (3): Daar waren ze reeds. Honderd, twee honderd meter hoog. Overal op de daken stonden menschen. Ze riepen, juichten, gilden en zongen. Met vlaggen, lakens en handdoeken werd gezwaaid.  Nu brak de angst en vlood de dood. Bij velen liepen de tranen over de wangen. Sommige vliegtuigen schommelden even ter begroeting en toen begon het vreedzame bombardement.

De Voorhoutse voedselberg in oorlogstijd
Mevrouw Lemmers met haar broertje en zusje in de bevrijdingsoptocht op 7 augustus 1945

Na de oorlog

Het duurde nog lange tijd voordat de honger in Nederland bestreden was en veel voedsel bleef ook na de oorlog nog alleen met distributiebonnen verkrijgbaar. Na de oorlog was er geen oog meer voor de positieve kanten van het voedingspatroon in oorlogstijd. De landbouwhervorming werd zo snel mogelijk weer teruggedraaid. Dat lukte door financiële steun van Amerika al in 1948. Mensen aten toen weer meer vlees, vette jus en kaas en boter (4).

22.000 burgers van de steden in West – Nederland, gestorven door honger en kou in de Hongerwinter, 1944 – 1945 (4). Op 4 mei staan we hier bij stil. Op 5 mei vieren we de vrijheid, met weer steeds vaker de groe(n)ten uit Voorhout!

Tante Nely, Tante Ria, Oom Frans en meneer en mevrouw van der Hulst, bedankt voor de gastvrijheid en de verhalen.

cropped-img_0630-61.png

Volg mij 🙂

Wil je meer lezen? Door je e-mail adres in te vullen op mijn website, ontvang je automatisch bericht als ik een nieuwe blog heb geplaatst. Dit is ongeveer 1x per maand. Of volg me op Facebook en Instagram.

 

Bibliografie

1: Dwarsdraad, A., 1995, Tot groei en bloei gekomen 1895 – 1995, KAVB-afdeling Voorhout en omstreken

2: Amsterdam van, H., 2015, 1940 – 1945 herdenkingsbijeenkomst Sassenheim, Warmond, Voorhout

3: Koster, M. 1945, Honger in Rotterdam

4: Verzetsmuseum, Amsterdam, maart 2017, Eten in Oorlogstijd

5: Historische Kring Voorhout, http://www.hkv-voorhout.nl, geraadpleegd april 2017

4 thoughts on “De Voorhoutse voedselberg in oorlogstijd

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s